Door de grote hoeveelheid geschiedenis is deze pagina nog niet voorzien van structurering, plaatjes en vormgeving!

Geschiedenis van de handboog

De geschiedenis van de handboog is zo oud als de geschiedenis van de mens. Ver voor mensen begonnen met het planten van gewassen en ver voor het geschreven woord werd er al geschoten met bogen. Er is veel te vinden over de geschiedenis van het boogschieten, maar het is moeilijk om een compleet overzicht te vinden. Hier zullen we dan ook proberen om een samengestelde geschiedenis uit talloze bronnen te verzamelen en per tijdsperiode te presenteren.

Omdat deze pagina veel informatie bevat staat rechts een lijst met links naar de betreffende tijdsperioden.

Periode

Pre-historie

Waar en wanneer de boog als eerst is verschenen is onbekend maar dat de boog reeds zeer vroeg in de menselijke historie een rol heeft gespeeld is zeker.

Over de hele wereld zijn sporen van het gebruik van bogen in de vroege pre-historie gevonden. De boog was voornamelijk voor de jacht, dankzij de boog hoefde de mens hun prooi minder dicht te naderen. Ook kon door de hogere kracht van een pijl dan bijvoorbeeld een gegooide stok of speer, worden gejaagd op grotere dieren met een dikkere huid.

In welk tijdsvak de boog precies is ontdekt is onmogelijk te bepalen, maar de boog komt al voor op de oudste rotstekeningen. Slechts enkele restanten van pre-historische bogen zijn behouden. Maar gevonden pijlpunten tonen aan dat bogen in een zeer vroege fase van de menselijke ontwikkeling zijn ontstaan, de oudste handboog (resten) die ooit gevonden zijn stammen uit 16.000 v.Chr. maar de oudste pijlpunten stammen uit 60-70.000 v.Chr. Ook kan ervan worden uitgegaan dat er voor de stenen pijlpunten volledig houten pijlen zijn vooraf gegaan. Dit kan betekenen dat de introductie van de handboog ergens in de latere ontwikkeling van de homo erectus heeft plaatsgevonden, ergens tussen 200000 vGT en 100000 vGT.

Pijlpunten werden gemaakt van diverse materialen, zoals dierlijke botten, steen, hoorn en later metalen. Algemeen gebruik bij stammen in de amazone en Indonesië is om de pijlpunt met behulp van een spleet in de pijl te steken om deze zo te bevestigen. Deze manier van de punt aan de pijl bevestigen werd ook al in de eerste vroege periode gebruikt. Bogen en pijlen moesten echter gemaakt worden van vergankelijke materialen waardoor er nagenoeg geen resten hiervan kunnen worden teruggevonden en zijn we grotendeels afhankelijk van meestal stenen pijlpunten om te bepalen waar en wanneer bogen gebruikt werden.

In de Mesolithische periode (midden steentijd) ging de ontwikkeling van de boog door. Het verdwijnen van veel grotere maar langzamere dieren en de opkomst van kleiner maar sneller wild zoals herten e.d. Betekende dat de boog sneller en efficiënter moest worden. Maar de boog bleef nog een zwak wapen dat vooral op korte afstand gebruikt kon worden. Bogen werden gemaakt van harder doch buigzaam hout, coniferen hout was bijvoorbeeld erg geschikt. De Mescilische culturen begonnen zich in Europa pas rond 3000 vGT te ontwikkelen terwijl dit in Azië en Afrika reeds in 10000 tot 6000 vGT begon. De pijlpunten gevonden uit deze periode zijn voornamelijk uit steen geslagen en later gepolijst voor gemakkelijker gebruik.

Tijdens de neolitische periode was er een steeds betere materiaal kennis en kunde waardoor de boog grote verbeteringen doormaakte. Het middenstuk werd versterkt ten opzichte van de werparmen waardoor een snellere, doeltreffender en vooral een krachtiger wapen ontstond. Stenen pijlpunten uit deze periode zijn in grote aantallen gevonden in Europa en noord en zuid Amerika. In Afrika zijn er minder vondsten vermoedelijk doordat de later opgekomen woestijnen onderzoek moeilijk maken. In Azië beperken de vondsten zich tot de bekende oude culturen (Midden-oosten, Japan, India) waarschijnlijk omdat de archeologie zich voornamelijk op deze locaties concentreert. Australië en Nieuw-Zeeland zijn de grote uitzonderingen, de aboriginals maakten geen gebruik van de boog. Het is waarschijnlijk dat de eerste stammen die naar Australië trokken wel bogen mee hebben genomen, maar dat een gebrek aan geschikte bomen en takken of een ongeschikt terrein waar ze aan land kwamen, de boog onbruikbaar maakte. Na verloop van tijd werd hier de boemerang ontworpen als afstandswapen.

De vormen van de gevonden pijlpunten zijn nogal verschillend, maar allen zijn min of meer wigvormig. In het geheel kunnen pijlpunten in 2 groepen worden onderverdeeld:

  1. De pijlpunten waar de top van de wig zorgt voor de penetratie in de huid.
  2. De pijlpunt is omgedraaid en het brede gedeelte is het snijdende deel (bijtelpunt).

De eerste groep is verreweg de meest gebruikte.
De groep kan worden onderverdeeld in 5 verschillende basis uitvoeringsvormen.

  1. bladvormig
  2. ruitvormig
  3. ruit met stam
  4. V-vormig
  5. Driehoekig

De omgekeerde pijlpunt ( ook wel beitelpunt genoemd ) is niet erg gebruikelijk in Europa.
De vorm is echter veelvuldig in Egyptische graftombes gevonden. 

Over de hele wereld zijn culturen tot soort gelijke oplossingen gekomen. De Indianen die in Californie ( USA ) leefden maakten bijvoorbeeld de pijlpunten V-vormig.
Boven de uitlopers werd een inkeping gemaakt om de bevestiging aan de schacht te vergemakkelijken, de punt was van een glasachtige steen ( obsidiaan ) gemaakt.
In Zwitserland bijvoorbeeld zijn soortgelijke pijlpunten gevonden.

 

Dat de wigvormige pijlpunt uiteindelijk dominant als pijlpunt in de wereld is geworden is wijst op experimenteren en zoeken naar de beste pijlpunten. Het is op zich al verbazingwekkend dat maar één vorm en niet meerdere uitvoeringsvormen algemeen gebruikelijk werden, maar de wigvorm is niet de meest natuurlijke of voor de hand liggende vorm. Het is veel natuurlijker om de schacht te laten doorlopen in een verharde punt, hierdoor penetreert de pijl het doel dieper terwijl de wigvorm de penetratie juist lijkt te verminderen. De bijtelvorm daarin tegen richt meer schade aan en zorgt voor een groter bloedverlies waardoor wild sneller gevangen kan worden en de pijl niet door het dier heen schiet. De wigvorm lijkt een combinatie van deze eigenschappen te hebben waardoor deze een beter jachtresultaat zal hebben gegeven.

Oetzi de ijs mummie

Zo’n 3300 voor Chr. Een 45 jarige man vond zijn dood op de Similaun gletsjers in de Oostenrijkse Alpen.
Op 11 september 1991, werd het door het ijs geconserveerde levenloze lichaam gevonden.
“Oetzi”, zoals de mummie genoemd werd , werd het onderwerp van vele studies aangezien bij het lichaam vele voorwerpen gevonden werden die een beeld kunnen geven op het leven dat deze man gehad moet hebben, en men hoopt de oorzaak van zijn overlijden te vinden.
De mummie was gekleed in lederen kleding met een van gras gemaakte waterdichte mantel en schoenen die eveneens m.b.v. gras waterdicht gemaakt waren.
Verder was er bij de mummie een backpack gevonden, hierin zij diverse werktuigen gevonden waaronder een pijlentas met 14 pijlen, een stenen mes en meest verbazend van allen ook een Koperen bijl.
Vooral de vondst van de bijl is erg bijzonder.
Er werd algemeen verondersteld dat het gebruik van brons pas zo’n 1000 jaar later kwam.
De pijlentas was uitgerust met een deksel, dit om de veren van de pijlen te beschermen tegen vocht.
De pijlen waren voorzien van stenen pijlpunten

Op de vraag hoe Oetzi om het leven is gekomen is zeer grondig onderzoek naar gedaan.
In eerste instantie werden aan kleding en lichaam geen bijzondere kenmerken gevonden die erop zouden wijzen dat de man een andere dood zou hebben gehad dan een dood door onderkoeling en uitputting.
Gezien het koper dat de man bij zich droeg, en de hoge concentratie Arsenicum in het weefsel van de man laten aan deze veronderstelling twijfels komen.
Het hoge arsenicum gehalte wijst erop dat de man het erts voor de koper zelf gedolven en ook gesmolten moet hebben, of hier aan moet hebben meegewerkt.
De dichtstbijzijnde koper vindplaats is echter 120 Km. zuidwaarts in Italië gelegen.
Dit geeft aan dat de man waarschijnlijk vaak de trip over de alpen gemaakt heeft, waarschijnlijk om handel te drijven.
In een later X-ray onderzoek werd per toeval een klein donker plekje gevonden aan de linker zijde onder het schouderblad.
Een Cat scan ( 3D scan ) gaf de geleerden een betere mogelijkheid om dit plekje te onderzoeken, en tot ieders verbazing werd het donker plekje veroorzaakt door een stenen pijlpunt die in het lichaam is blijven steken.
Vervolg onderzoek aan de kleding die “Oetzi” droeg liet op de bewuste plek een gaatje zien wat aangeeft dat de verwonding vrij recent van aard was.
Of deze pijl “Oetzi” direct gedood heeft is onwaarschijnlijk, omdat de man zijn spullen nog bij zich droeg op het moment van zijn dood, maar het is onomstootbaar dat een dergelijke pijnlijke verwonding de dood zeer bespoedigd heeft.

Het grootste stuk werktuig dat “Oetzi” bij zich droeg is een perfect bewaard gebleven boog ( zonder pees )De boog is met de hand bewerkt, en is nog niet geheel af

De handgreep en de inkepingen voor het spannen van de boog waren nog niet aangebracht. De bogentas is rechthoekige zeemleren tas die met houten versterking.In de tas bevonden zich twee pijlen die klaar waren om mee te schieten.De andere 12 pijlen waren niet geheel schietklaar.De schietklare pijlen hadden stenen pijlpunten in de schacht, de bevestiging van de pijlpunten is gedaan m.b.v. hars en touwDe veren zijn bevestigd met hars en aan de uiteinden versterkt met touw

 

Handboogschieten in de oudheid

Het lijkt erop dat de handboog was algemeen in gebruik in alle landen rondom de Middellandse zee
Reeds in zeer vroege tijden was de boog in Assyrië en Egypte als wapen zeer belangrijk.
De boog werd zelfs zo belangrijk geacht op de slachtvelden dat de schutters begeleid werden door soldaten die als taak hadden de boogschutter met hun schermen te beschermen.
We kunnen aannemen dat deze culturen de boog zelfs net zo hoog achten als later de Engelse zouden doen in de middel eeuwen
De Assyriers vochten soms in groepen van drie.
Deze drie bestonden uit een boogschutter, een soldaat met een schild om de boogschutter te beschermen en een soldaat met zwaard.
In andere tijden een soldaat met schild was vergezeld door twee boogschutters. ( zie fig. 17 ) 
De Assyriers waren ook de eersten die de boogschutter op een paard met wagen zetten ,natuurlijk met een begeleidende soldaat om de schutter te beschermen en de teugels van het paars te houden

 

Het zou niet ongewoon zijn om aan te nemen dat het gemakkelijk moet zijn om te herkennen wat voor een soort boog de Assyriers gebruikt moeten hebben aangezien de gevonden afbeeldingen van boogschutters uit deze tijd erg veelvuldig zijn.
Niets is echter minder waar, we weten dat de boog erg sterk en betrouwbaar moet zijn geweest omdat zelfs de koningen geheel op dit wapen vertrouwden.
Een goed voorbeeld is de afbeelding van een Assyrische koning die met pijl en boog een zo’n vervaarlijk beest als een leeuw jaagt. ( zie fig. 19 )

 

In Fig. 20 is een afbeelding te zien van koning Asshur-na-zirpal met een gespannen boog.
Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de boog bestaat uit een enkele houten staaf van p.m. 1.25 m lang.
De rare hoek in de boog overtreedt alle principes die we nu hanteren voor het maken van bogen namelijk dat het middenstuk van de boogarm ( p.m. 40 cm. in het midden ) stijf en recht moeten zijn, 
Deze hoek is erg typisch voor Assyrische bogen en komt ook voor in Egyptische afbeeldingen, vooral in afbeeldingen van handelaren en Aziatische vijanden.
Veelvuldig werden de bogen niet zo hoekig afgebeeld, maar toch altijd buigend vanuit het midden.
Bogen met stijve middenstukken duiken enkel op in Egyptische kunst, maar nooit in Assyrische kunst.

Als we kijken naar fig. 19 dan zien we de afbeelding van koning Asshur-na-zirpal op leeuwen jacht.

We zien de boog volledig getrokken, deze afbeeldingwijze is heel gewoon in de assyrische sculpturen.
In Fig. 20 zien we de boog wanneer deze alleen is opgespannen, de boog buigt hier direct bij de hand.
De hoek van de boog laat vermoeden dat hier geen massief middenstuk aanwezig is.
De lengte van de pijl ( zie fig. 19, van voorkant boog tot kin ) is zo groot in vergelijking met de grote van de boog dat de twee uiteinden van de boog zover moesten rekken dat dit niet mogelijk zou zijn met een moderne boog zonder de boogarmen ( het deel van de boog die reikt van het middenstuk tot aan het uiteinde van de boog ) te breken.
De afbeelding zou alleen mogelijk zijn indien de boog van uit houtsoort bestaat die een dergelijke stres kan verdragen. 
Heden ten dage kennen we geen houtsoort die deze krachten zou kunnen verdragen, dit wil echter niet zeggen dat in de oudheid ook het geval was.
Het is best mogelijk dat de Assyriers een boomsoort kenden die dit wel kon, maar dat deze is uitgestorven, of dat het gebruik van deze boomsoort in de loop der tijd geheel in de vergetelheid is geraakt.
( Bedenk maar eens de vele technieken die de Egyptenaren moeten hebben gekend om de piramides te maken. Technieken waar de moderne wetenschappers nu nog geen flauw idee van hebben hoe ze dit gedaan hebben en wat ze met de meest moderne middelen nog steeds niet voor elkaar krijgen )
Het enige alternatief op een simpele houten boog , als we de sculpturen als waarheidsgetrouwe afbeelding aanvaarden, is om aan te nemen dat de assyrische boog een composiet boog is
( composiet boog: een boog die is gemaakt door meerdere lagen hout te combineren ) 
Het beeld van de schutter met gespannen boog geeft hier weinig bewijs voor, en ongelukkigerwijs zijn er in de ruines van Nineveh geen bogen gevonden die licht op de materie zou kunnen werpen.
In een tombes in Egypte zijn een aantal bogen gevonden
De meeste bogen zijn gewone houten bogen zoals deze overwegend in Afrika gebruikt werden.
In fig. 20 is een afbeelding te zien van Egyptische boogschutters.
In Thebes is in een tombe – die gedateerd is in de tijd van Rameses II – een boogfragment gevonden dat met grote zekerheid deel was van een composietboog

pastedGraphic.png 

Fig. 21. Egyptische schutter
De afbeelding is gedateerd op 1600 voor Chr.

pastedGraphic.png 

Fig. 22 Composiet boog uit de tijd van Rameses II.
Rameses II regeerde van 1292 tot 1225 voor Chr.

Er wordt aangenomen dat de gevonden composietboog afkomstig was van Aziatische handelaren, of van gevangen genomen soldaten in een van de oorlogen die de Egyptenaten hadden
Waarschijnlijk is de boog afkomstig uit Hittite.
In fig. 24 is een Hittitische boogschutter te zien
Rameses II bevocht de Hittiten gedurende 15 jaar, het is daarom zeer goed mogelijk dat er ook bogen oorlogsbuit zijn gemaakt.

pastedGraphic.png

Fig. 23. Egyptische pijl en boog,
Ongeveer. 2,300 -1400 voor Chr.

pastedGraphic.png 

Fig. 24. Hittitische boogschutter.

pastedGraphic.png 
Fig. 25. Aziatische schutter op jacht

De Grieken

Bij de Grieken is de boog nooit een zo belangrijk wapen geweest als dit het geval was bij de Egyptenaren. De Grieken vertrouwden meer op het schild en lans.

Homerus (Griekse auteur ca. 800 v.Chr.) heeft in zijn geschriften de handboog meerdere malen vermeld.
Aan de Griekse kant tijdens de Trojaanse oorlog waren grote gelden als Achilles, Ajax en Agamemnon geen boogschutters
Odysseus de gewillige was aan de andere hand een expert op het gebied van boogschieten
Hij zag het grote voordeel van de boog om reeds vanaf grote afstand zijn vijanden te belagen beter dan de andere Griekse helden.
Van Teucros wordt beweerd dat hij de bekwaamste Griekse boogschutter van allen was ( volgens Homers Odyssey )
Tussen al de goden die de Grieken er op na hielden was Apollo met zijn zilveren boog overduidelijk de handboogschutter.
Het feit dat hij ook de god van de muziek was kan geen toeval geweest zijn, de Griekse harp was gemaakt van horens ( waarschijnlijk van stieren ) verbonden met snaren, wat veel overeenkomst hand met de vorm van de Griekse boog.

Achilles
Beste held gedurende de Griekse belegering van Troje tijdens de Trojaanse oorlog.
Deze Griekse held heeft de Trojaanse held Hector gedood in een gevecht.
Achilles kon alleen worden werd geveld door tussenkomst van de god Apollo.
De God geleide de pijl van de broer van Hector ( genaamd Paris ) naar de enige plaats waar Achilles verwondbaar was, zijn hiel.

Ajax
Een van de minnaars van Hellen ( er waren vele die om de hand vochten van de Spartaanse prinses Helen )
Ajax werd de leider van de Salaminians en leverde 12 schepen voor de Achaean vloot.

Agamemnon
aanvoerder van de Grieken tegen de Trojanen om Helena 

 Odysseus
Koning van een klein eiland ten westen van Griekenland
Hij is een van de helden van de Trojaanse oorlog

pastedGraphic.png 

Fig. 26. Mycenæn aanval

De Perzen, de Medes, de Hyrcanians en vele andere hadden long bows en pijlen gemaakt van riet.
Ook deze bogen waren zeer waarschijnlijk composietbogen, maar ze waren veel groter dan de korte hoorn-vormige bogen zoals de Scythians gebruikten.
De hoorn-vormige boog is waarschijnlijk nooit algemeen in gebruik geweest in Azië, al is het een typisch Aziatisch wapen 
Het was zowel voor de Grieken als de Aziatische volken gebruikelijk om veren aan de pijlen te bevestigen.
Vooral de veren van een adelaar werden hiervoor zeer gewaardeerd. 

The Medes
Geduchte vechters en zeer kundige paarden fokkers
Het volk was in het begin bestuurd door onafhankelijke stammen.
Hun hoofdstad Mineva was in 612 voor Chr. veroverd door de Assyriers
Hun gebied reikte van Afghanistan tot Turkije

The Hyrcanians
Hyrcana (Oud Perzisch Varkâna, ‘land van de wolven’):
deel van het Perzische rijk.
Hyrcania lag tussen de Kaspische zee – wat in die tijd de Hyrcanian Oceaan genoemd werd – in het noorden en de Elburz bergen ten zuiden en westen. 

pastedGraphic.png

Fig. 27

Slechts in enkele staten van het oude Griekenland was handboogschieten een sport.
Plato , een Griekse filosoof wiens werken tot de meest invloedrijke behoord in de westerse beschaving, adviseerde in zijn wetten dat alle jongens die ouder waren dan 6 jaar het paardrijden, het boogschieten en het gebruik van de sling moesten leren.
Hij benadrukt hierbij het feit dat de Scythians hun jeugd zowel links als rechtshandig leerden schieten.
Hij oordeelde dat de Kretaanse boogschutters beter waren dan die schutters uit Thessaly enkel door dat Kreta bergachtig was waardoor het gebruik van lichte wapens voordelig was, wat pijl en boog het meest geschikte wapen maakte op het eiland.

The Scythians
The Scythiaanse stammen behoorden tot de Indo-Europeesche volken in binnen Azië
Deze geduchte nomadische ruiters, die verwantschap hadden met de Perzen, vestigden zich aan het einde van de 8e eeuw voor Chr. in het gebied dat heden ten dage toebehoord tot de Ukraine.

Thessaly
de grootste oude regio van het oude noord en centraal.
Hun gebied bestrijkt ongeveer het huidige Larissa and Trikkala,welk deel uitmaken van de moderne regio Thessaly.

Kreta was zonder twijfel het gedeelte van Griekenland waar het boogschieten het meest geacht werd.
Vele representaties van boogschutters op munten zijn er gemaakt op het eiland gedurende een lange periode.
In de meeste gevallen is de afgebeelde boog een simpele houten boog, maar soms is ook een composiet boog te bewonderen.
Het eiland bood voldoende grondstoffen voor een beide soorten bogen
Gezien de afbeeldingen is het goed aan te nemen dat de simpele boog waarschijnlijk het meest gebruikt werd.

pastedGraphic.png

pastedGraphic.png

Fig. 28
Een Cydonische munt met een afbeelding van de god Apollo met een simpele boog.

Fig. 29
Afbeelding gevonden op een Griekse vaas die nu te bezichtigen is in Parijs.
Te zien is een schutter met een composiet boog.

De Romeinen

pastedGraphic.png

Fig. 30 Boogschutters in het Romeinse leger.

Bij de Romeinen is de boog nooit erg hoog in aanzien geweest
De reden hiervoor licht waarschijnlijk in de vechttactieken die zij in de loop der tijd ontwikkelden.
Wel bekend zijn de formatie soldaten met een schild in de hand om zo een voor pijlen ondoordringbaar pantser over hen heen te leggen 
Een dergelijke formatie laat weinig plaats over voor handboogschutters.
Wel werden schutters gebruikt om voor lange afstand geschut te zorgen.
In de film “Gladiator van regisseur Ridley Scott” is in de openings gevecht scène waar de Romeinse legers het opnemen tegen Germaanse stammen goed te zien hoe dit waarschijnlijk in de praktijk is toegepast.
Als eerste werden boogschutters ingezet met als doel de tegenstander iets uit te dunnen en de gevechtsformaties die deze vormden losser te maken, waar na de regulaire troepen met lans en zwaard het gevecht vervolgden.
Uit archeologische vondsten is gebleken dat deze boogschutters in vele gevallen zelf geen Romeinen waren, maar hulptroepen de uit bevriende ( of bezette ) landen waren. 

De Hunnen

De Hunnen waren een volk waarvan de oorspronkelijke herkomst niet geheel duidelijk is.
Reeds vanaf 300 na Chr. begonnen deze vervaarlijke strijders naar europa te trekken.
Alles wat de hunnen deden gebeurde vanaf een paard, er wordt wel eens gezegd dat ze erop woonden.
Het grootste wapen dat ze hadden was de combinatie van een perfect ruiterschap gecombineerd met de pijl en boog, een wapen dat ze uitmuntend beheerste.
Na eerst door Azië getrokken te hebben invaseerde de Hunnen in 372 na Chr. het gebied van de Volta dal en gingen verder westwaarts richting Europa.
Door deze beweging en hun reputatie om alles te vernietigen dat ze tegen kwamen resulteerde in een grote volksverhuizing
Volken zoals de Germaanse Ostrogoten en de Visgoten werden westwaarts verdreven.
Deze volksverhuizing gaf een nekslag aan het reeds zeer verzwakte Romeinse rijk.
In 432 Na Chr. invaseerden de hunnen het oosterse deel van het Romeinse rijk.
Attila de hun voerde zijn horde boogschutters verder westwaarts waardoor de Romeinse keizer in 450 na Chr. besloot om geen losgeld meer te betalen
( Dit gebeurde reeds vanaf 432 na Chr. om te voorkomen dat Rome zelf slachtoffer van de Hunnen werd. )
Als gevolg hiervan invaseerde Attila Italië en Frankrijk waar hij in de door de Romeinse veldheer Aetius gestopt en verslagen werd.
Uit Italië gingen de Hunnen pas weg nadat Attila in 453 stierf.
De Hunnen lieten een versnipperd en verslagen Romeins rijk achter zich.
( het woord Hun wordt later nog eens gebruikt om de Duitse militaire te beschrijven vanwege het allesomvattende destructieve militarisme )

Een paar honderd jaar later ( rond 1200 na Chr. ) zal de Mongoolse leider Zhengis Khan met zijn boogschietende ruiters dit nog eens dik overdoen.
Met een rijk dat spande van Mongolië via China, India, Rusland en reikend tot in de Oekraïne is dit een zo niet het grootste rijk dat er in de geschiedenis van de mensheid ooit geweest is.
De bogen van de Hunnen en de latere Mongolen verschilde in principe niet veel van elkaar.

Militaire boogschutters in de Middel Eeuwen. 

Alle stammen die in Europa leefden gebruikte om een of andere reden de handboog.
Werd de boog niet gebruikt als oorlogswapen dan werd hij wel gebruikt om er mee te jagen
Maar nergens in het oude voor Middel Eeuws Europa was de boog het meest belangrijke wapen.
Hier zou echter in Groot Brittannie verandering in gaan komen.
De Engelse ontwikkelde in de loop de tijd een geducht leger dat in hoofdzaken steunde op de boogschutters en de ruiters te paard.
In andere delen van Europa en de wereld is de ontwikkeling van de boog bijna stil blijven staan.
Nieuwe technieken, tactieken en materialen werden niet ontwikkeld.
De Mongoolse Djengis Kahn gebruikte nog steeds bogen die al meer dan 1000 jaar eerder ontwikkeld waren, In Japan was de boog een tweede rangs wapen.
Hier was het zwaard veel belangrijker, het gaf de bezitter niet alleen een status, maar het was in de massale man tegen man gevechten die de legers van de shoguns onder elkaar bevochten, een veel beter wapen. 
De film “Ran” van de beroemde Japanse regisseur “Akira Kurosawa” geeft hier een prachtig voorbeeld van.
In de Amerika’s gebruiken de volken de boog op een zelfde wijze als dit gebeurde in alle andere delen van de wereld.
Echte belangrijke verbeteringen in techniek en tactiek zijn ook hier niet gedaan.
Gezien bovenstaande vervolgen we vanaf nu vooral de ontwikkeling van het boogschieten, en de latere ontwikkeling tot een sport in Groot Brittannie 

In den Beginne

Het is niet erg duidelijk wanneer de boog in Engeland geïntroduceerd is.
Zeer waarschijnlijk moeten we hiervoor teruggaan naar de volken die leefden aan het einde van het Paleolithische tijdperk – zo’n 15.000 jaar v Chr. – 
De eerste aanwijzingen van handboogschieten in de moderne tijd is afkomstig van kistje gemaakt van walvisbot uit de 7e eeuw.
Het verschijnen van afbeeldingen van boogschutters in het Bayeux tapestry laten duidelijk zien dat het handboogschieten al lang voor de verovering van Engeland door de Normandische legers van Willem de Veroveraar in ontwikkeling moet zijn gekomen.

Ziet Fig. 31 tot 33 voor enkele fragmenten van dit immens grote wand tapijt.

pastedGraphic.png 

Fig. 31 

pastedGraphic.png 
Fig. 32

pastedGraphic.png 

Fig. 33

William de Veroveraar, Koning Willem I van Engeland
Regeerde van 1066-1087. Hertog van Normandy 1035-1087.

Tijdens de slag van Hastings ( de slag die verbeeld is op het Bayeux tapestry ) begonnen de Normandische boogschutters van Willem de aanval door de tegenstander te trakteren op een hagel van pijlen.
Hierna namen de troepen met zwaarden het initiatief over de slag over.
De Engelse Koning Harold werd tijdens dit gevecht dodelijk getroffen door een pijl 

Na de slag om Hastings worden de boogschutters meermaals gebruikt om de veldslagen te openen.
In Northallerton ( 1138 ) gaven de boogschutters een voorproefje van de aankomende dominantie van de boog in veldslagen
Tijdens de Battle of the Standard, gaven de boogschutters van de schotse Koning Stephen door hun regen aan pijlen de doorslag in het gevecht tegen de Engelse soldaten.
Zoals gewoon in die tijd waren de boogschutters de eerste die het gevecht begonnen, maar zij waren ook de personen die aan het einde van het gevecht de beter beschermde troepen afmaakten.

Tijdens de periode van Richard I (Richard I, Richard Lion-Heart, 1157-99, koning van Engeland 1189-1199) zowel in zijn oorlogen als wel in de gevechten met zijn broer John, bewezen de Engelse boogschutters dat ze de meest dominante factor waren tijdens ieder gevecht
In de tijd voorgaand aan Richard I had Henry I ( 1068-1135, Koning van Engeland 1100-1135 ) het beoefenen van het handboogschieten al bevorderd door het per ongeluk doden van een persoon tijdens het beoefenen van het boogschieten niet meer als een misdaad te beschouwen.

Het beoefenen van het handboogschieten was ondanks het militaire karakter een zaak van ontspanning, zowel voor de man in het platteland als ook voor de stedelingen.
Het beoefenen van het handboogschieten werd door de staat verder bevorderd door het instellen van een aantal statuten 
( hierover later meer )

Als er weer eens een van de vele oorlogen bevochten moest worden dan moesten de ridders allen een aantal ruiters en boogschutters ter beschikking stellen aan het te vormen leger.
In de tijd van Edward III werd er veel beroep op de boogschutters gedaan
( Edward III, 1312-77, Koning van Engeland 1327-77, Honderd jarige oorlog, 1337-1453, conflict tussen Engeland en Frankrijk over de Franse bezittingen en troon. )
Als we de prominente rol van de Engelse boogschutters in de oorlog tegen Frankrijk eens nader bekijken, dan is het goed om te bekijken waar de boogschutters tijdens de veldslagen gepositioneerd werden.
Tijdens de marine slag bij Sluis ( 1340 ) werden de boogschutters geplaatst afgewisseld met andere soldaten, terwijl op andere schepen een lijn gevormd werd met enkel boogschutters. 
De franse daarin tegen beschikten in deze slag over vele kruisboogschutters.
Tijdens de vele korte afstandsgevechten tussen de schepen bleek de handboog toch overlegen t.o.v. de kruisboog.
Een van de hoofd oorzaken hiervoor is de tijd die een boogschutter benodigd om een tweede schot te lossen.
Konden de kruisboogschutters slechts 1 pijl per minuut schieten, de gewone boogschutter trakteerde zijn opponent in dit tijdsbestek met 6 of meer pijlen.
Dit overwicht aan hoeveelheid pijlen bracht uiteindelijk de doorslag wat resulteerde in een engelse overwinning.

Een van de redenen waarom de boogschutters zoveel efficiënter waren dan de kruisboogschutters is het gegeven dat het schieten met de normale boog reeds van kleins af aan beoefend werd.
Voor de boogschutters was het een tweede natuur om snel en accuraat te schieten.
In het geval van de kruisboogschutters kan dit niet gesteld worden.
Het zijn voornamelijk duur betaalde soldaten die veel minder oefening hadden gehad met het wapen.
We kunnen er natuurlijk niet omheen gaan dat de kruisboog een veel krachtiger wapen is dan de handboog, maar het voordeel van het snel achter elkaar kunnen schieten van veel pijlen bracht toch het voordeel naar de gewone boog.

pastedGraphic.png 
Fig. 34 Franse kruisboogschutter ( links ) die veel kracht moet gebruiken om de kruisboog te spannen terwijl de handboogschutter reeds klaar staat om zijn volgende schot te lossen

Gedurende de gehele 14e eeuw was de handboogschutter de belangrijkste soldaat op het land en de zee, zowel bij de aanval als ook de verdediging
Een wolk van pijlen had een devesterend effect op de tegenstanders van de engelse, en dit hadden de fransen, Vlamingen, Genuaanen en Spanjaarden nu al lijfelijk mogen ondervinden.
Naast de lopende boogschutter, vormde de bereden boogschutter een zeer ideale lichte infanterie die snel veel schade aan de tegenstander konden toebrengen.

Het begin van handboogschieten als sport

Het beoefenen van het handboogschieten als tijdverdrijf is niet verdwenen nadat de boog als oorlogswapen had afgedaan.
Het is duidelijk dat in de tijd dat het bezit van bogen en de beoefening verplicht waren de sport zijn hoogtepunt beleefde, maar het was ook dat in deze tijd de sport ook beoefend werd als vrijetijdsbesteding door de lagere klassen van de bevolking.
Ook de hogere kringen beoefende de sport als tijdverdrijf of tijdens jachtpartijen.

Vele van de Engelse koningen en koninginnen stonden bekend voor hun kunde in het handboogschieten.
Van koningen als Henry VI en Henry VII en Henry VIII is bekend dat deze zeer goede schutters waren.
HenryVIII schoot regelmatig wedstrijden tegen zijn hovelingen waarbij een aanzienlijke som geld te winnen was.

De eerste schrijver van boeken over de kunst van het boogschieten was Roger Ascham
Deze student uit Cambridge schreef zijn eerste werk “Toxophilus”in 1544
Het boek is ook nu nog de moeite van het lezen waard.
In 1545 werd het boek gepresenteerd aan Henry VIII.
De koning was zo tevreden over het boek dat hij de nog jonge schrijver ( hij was pas 16 jaar ) met een uitkering voorzag van 101 ponden per jaar.
In 1548 werd hij voorlezer van prinses Elizabeth ( dochter van de nieuwe koning Edward VI ).
Het is zeer waarschijnlijk dat zijn instructies er toe hebben bijgedragen dat koning Edward VI en de latere koningin Elizabeth kundige boogschutters waren.

Tijdens de periode van koningin Elizabeth werd de Harrow School gesticht.
In de statuten van deze school werd gesteld dat de scholieren buiten pen en papier ook een boog met pijlen moesten bezitten.
Het is waarschijnlijk dat handboogschieten in die tijd gewoon was op alle publieke scholen. 
Op het Harrow college werd de Silver Arrow verschoten, toen in 1771 de wedstrijd gestaakt werd gebeurde dit enkel na verwoede protesten.
De reden die de school voor het staken van deze wedstrijd opgaf was dat de wedstrijden ongewenste personen aantrok.
De wedstrijd moet een hele show geweest zijn, de deelnemers waren gekleed in met kleden die bezaaid waren met groen en zilver kleurige lovertjes en hadden natuurlijk ook een bijpassende pet en sjaal.
De deelnemende schutters aan de wedstrijd eisten van de school het privilege om te kunnen trainen wanneer zij dat wilden, en dat zij dan niet gestoord diende te worden.
Een en ander bemoeilijkte het functioneren van de school behoorlijk.

De velden rondom Londen werden vaak door de burgers gebruikt op het beoefenen van de handboogsport.
Echter, na verloop van tijd weigerde meer en meer van de eigenaren om hun velden nog voor het publiek beschikbaar te stellen.
Dit leidde vaak tot heftige conflicten waardoor Koning Henry VIII genoodzaakt was om per statuut te verordenen dat de velden weer voor het publiek toegankelijk moesten worden gemaakt zodat zij weer voor de handboogsport beschikbaar werden.
Na verloop van tijd organiseerden de bezoekers van de verschillende velden zich in verenigingen en bonden.
De eerste ( bekende ) van deze zijn:

 The Society of Saint George
 The Finsbury Archers 
 The auncient order society and Unitie laudable of Prince Arthure and his knightly armory of the round table
Van deze vereniging bestaan geen gegevens, enkel een vermelding in boek uit 1583.

The Finsbury Archers hebben hun bloeitijd gekend in de periode dat de boog verbannen werd als militair wapen.
De eerste vermelding van deze vereniging dateert uit 1590.
Ze waren de eerste die competities organiseerden.
Deze waren: the Easter Target, the Whitsun Target, en de Eleven Score Target.
Van de Easter Targets bestaan geschriften daterend van 1654 tot 1757, van de Whitsun Target zijn documenten gevonden uit de periode van 1692 tot 1761.
Van de Eleven Score Target zijn alleen de wedstrijdreglementen bekend maar er zijn geen gegevens over eventuele winnaars.
De regels voor deze drie wedstrijden waren ongeveer gelijk.

Nadat de schutters zich hadden verzameld, moesten zij een lot trekken waarin de schotvolgorde bepaald werd.
Uitgezonderd hiervan waren de kapitein en de luitenant ( nu vergelijkbaar met koning en prins ), deze schoten als eerste en tweede.
De uitkomst van de loting was van groot belang omdat wie het eerste een kleur schoot een prijs won.
De manier van schieten was ook geheel anders dan vandaag de dag gebruikelijk.
De Kapitein ging naar zijn plaats en schoot de eerste pijl, waarna hij zich naar links verplaatste.
Vervolgens schoot de luitenant, waarna ook hij zich naar links verplaatste.
Hierna schoten de kapitein en de luitenant hun tweede pijl.
Vervolgens mochten de lotnummers een en twee schieten.
Dit werd herhaald tot een ieder geschoten had.
Het moet opgemerkt worden dat het deelnamegeld voor deze wedstrijden een aanzienlijk bedrag was en dat dit geld gebruikt werd voor de aanschaf van een winnaars plaquette.
De schutter die als eerste de roos schoot ( rood of goudkleurig ) won de kapiteinsprijs.
Deze prijs was natuurlijk het meeste waard.
De tweede hoogste prijs werd gewonnen door de schutter die als eerste de cirkel buiten de roos raakte.
Deze schutter werd luitenant genoemd.
De derde cirkel ( wit ) was onderverdeeld in 8, 10 of 12 binnencirkels van gelijke waarde elk 10 of 11 shilling prijzengeld waard.
De vierde cirkel ( zwart ), en de vijfde cirkel ( wit ) hadden ook binnencirkels maar deze waren van binnen naar buiten aflopend in waarde 
Iedereen die een cirkel raakte kreeg een van de prijzen verbonden aan de binnenringen.
Was de binnenring reeds geraakt dan kreeg men de prijs van de eerstvolgende binnenring die nog niet geraakt was.
De wedstrijd was afgelopen als al het aan de ringen verbonden prijzengeld verdeeld was.

Ook in andere delen van Engeland werden competities verschoten op een manier die vergelijkbaar is met die van de Finsbury Archers
Een van deze wedstrijden is de Scorton Arrow, deze wedstrijd is reeds vermeld in 1673 en is sindsdien jaarlijks verschoten en word zelfs in de huidige tijd nog georganiseerd.
Ook nu wordt de schutter die als eerste de roos raakt nog kapitein genoemd en heeft de taak om het komende jaar de wedstrijd te organiseren.

Van Victoria tot heden

Handboogschieten won snel aan publieke waardering, en al snel werd het handboogschieten als een van de meest modieuze vormen van vrije tijds besteding beschouwd.
In een rap tempo schoten de verenigingen in heel Engeland als paddestoelen uit de grond.
Aan het einde van de achttiende eeuw was het handboogschieten nog steeds populair maar begon toch aan een geleidelijke teruggang.

pastedGraphic.png

Koningin Victoria (1819-1901, Koningin van Groot Brittannie ) wordt lid van de Guild of St Sebastian at Bruges in 1844
In 1894 geeft ze de bond een geschenk ter nagedachtenis aan heet 50 jarig lidmaatschap

Ook in het zuiden van Nederland werd het handboogschieten reeds lang beoefend.
Veelal werd dit gedaan in de vorm van het z.g. wipschieten ( een sport die in België en Zeeland nog steeds gedaan wordt ) of het vogelschieten.
Het vogelschieten is te vergelijken met het vogelschieten zoals het in Limburg en België nog door de traditioneel schutterijen met de buks geschoten word.

Een bewijs dat de handboogsport in Nederland reeds midden de negentiende eeuw beoefend werd is terug te vinden in de Goesche Courant van 8-Mei 1894.
In deze krant zijn twee artikelen te vinden die gaan over handboogschieten. 

pastedGraphic.png

Fig 39 

Ook het hedendaagse handboogschieten word al vroeg in Nederland op club niveau beoefend.
In Eerste instantie is dit het geval in Limburg en Brabant.
Na verloop van tijd versprijdt de sport zich verder en dit resulteert in de oprichting van diverse handboog bonden o.a. Gezellig Samenzijn – RK sint Sebastiaan en De Alg. Nederlandse Handboogbond

1900 Handboogschieten op de Olympische Spelen
Ook in 1904, 1908 en 1920.
De dames worden ook toegelaten tot de Olympische spelen in 1904 en in 1908 

 

pastedGraphic.png

pastedGraphic.png

Dames competitie ( 1908 )

In 1931 wordt de FITA (International Archery Federation) opgericht

In 1940 waren er diverse bonden o.a. Gezellig Samenzijn – RK sint Sebastiaan en De Alg. Nederlandse. Handboogbond. 
De Duitsers wilden dat niet en hebben  ALLE bonden verplicht te fuseren.
Dat gebeurde op 21 dec. 1940. 
Er kwam een nieuw bestuur en een opgaven van alle aangesloten verenigingen dus alles in een bond. Tot 1960 gaat dat allemaal goed.
Eind 1959  ontstaat er een conflict tussen district 14 en 15 enerzijds en het bestuur van de Nederl. Bond van Handboogschutterijen. Dit conflict gaat over een schutter die tevens lid van de pas opgerichte O L A S. Onderlinge lange afstandschutters. 
Dit conflict escaleert en daardoor scheiden een stel verenigingen uit midden en zuid Limburg zich af en gaan verder onder de vlag van Gezellig Samenzijn
Zo rond 1969 – 1970 sluiten de meeste verenigingen uit het oude district 15 zich weer aan bij de Nederlandse Bond. Alleen Midden Limburg c a. 30 verenigingen blijven de bond GS vormen

In 1972 tijdens de spelen te Munchen wordt de handboogsport geherintroduceerd als onderdeel van de spelen. ( dames en heren )

Op 21 december 1994 is de Noord Nederlandse Handboog Federatie opgericht. De NNHF is een samenwerkingsverband van de Noordelijke Handboogverengingen uit de provincies Friesland, Groningen, Drenthe en de kop van Overijssel.
De bond is ontstaan na een afscheiding van verenigingen uit de N.H.B.

Handboog schutterij

In de middeleeuwen zag men de opkomst van de schutterij of het schuttersgilde. Dit waren lokale milities, bestaande uit burgers, om hun stad of dorp te beschermen tegen rondzwervende roversbenden of vreemde legers. Ook waren schutterijen verantwoordelijk om intern de orde te bewaren bij oproer, brand en prominent bezoek. De schutterij was dus zowel politie, brandweer en leger met als taak het bewaken van orde, rust en veiligheid van de bevolking. Het is niet geheel duidelijk of de term schutterij afkomt van het schieten (meest waarschijnlijk) of van het beschutten (mogelijk).

Hoewel schutterijen waarschijnlijk geen echte Gilden waren (omdat ze bestonden uit plaatselijke “vrijwilligers” die daarnaast ook een ander beroep uitoefenden), leken ze er wel veel op. Net als gilden hadden de schutterijen vaak een eigen kapel en altaar en werd ook het vaste onderkomen van de schutterij door de leden gebruikt om lokale zaken te bespreken en te “netwerken”. Ook was er vaak een “armenkas” in de schutterij, bedoeld om zieke en hulpbehoevende leden te ondersteunen. Na de Nederlandse Opstand (1e deel van de 80-jarige oorlog (ongeveer 1572-1584)), werd deze sociale rol steeds belangrijker.

Om toe te treden tot de schutterij moest men burger zijn van de stad en in staat zijn zijn eigen uitrusting te bekostigen, een wapen en functionele of status bevestigende kleding zoals een hoed met een pluim of een zijden sjerp. De kapitein was niet altijd afkomstig uit de buurt als de regio niet over een geschikte of betrouwbare kandidaat beschikte. Voor de plaatselijke elite was het toetreden tot een schutterij of het uitdienen van een tweejarige termijn vaak een opstapje tot hogere posten.

Vooral op het platteland komen in de late middeleeuwen steeds meer schutterijen die zich bezighouden met het beschermen van wegen en handelsroutes zowel als ordehandhaving en bescherming

Iedere schutter werd ingedeeld (bijvoorbeeld 1x in de maand) om wacht te lopen. Pas aan het einde van de 18e eeuw werd er een vergoeding (wachtgeld) ingevoerd om de aantrekkelijkheid en opkomst te verbeteren.

Schutterijen werden gegroepeerd per wapen: Handboog, voetboog (kruisboog) of het geweer en dan per wijk. Indien een stad over 1 of meerdere kanonnen beschikte werden ook deze door de schutterij bediend. Voor de bescherming van de schutters (en van kanonnen) in het open veld, waren piekeniers nodig ook waren er mensen nodig voor de bediening van het kanon(nen) indien deze aanwezig was/waren. Zo groeide schutterijen steeds groter tot soms wel honderden “leden”. In de 17e eeuw waren er in Amsterdam 3 schutterijen, de handboogschutterij, de voetboog schutterij en de kloveniersschutterij (musket) deze hadden samen naar schatting rond de 10.000 leden.

Tijdens de kolonisatie periode werden ook schutterijen over de hele wereld geëxporteerd. In de Amerikaanse koloniën waren in iedere stad van betekenis schutterijen en ook in bijvoorbeeld de Nederlandse kolonie Suriname waren in 1742 acht schutters compagnieën geformeerd. zo verspreide de “schutterij” zich over een groot gedeelte van de wereld.

Zo speelde schutterijen eeuwen succesvol een vitale rol in de Nederlandse (en ook Europese) samenleving met hun hoogtepunt in de gouden eeuw.

.

Het verval van de schutterij

Door de steeds beter wordende en makkelijker verkrijgbare vuurwapens beginnen de voetboog schutterijen al snel te verdwijnen, de handboog echter blijkt levensvatbaarder te zijn. Door de hoge schietsnelheid en goedkopere aanschaf gaan handboogschutterijen nog lange tijd mee.

Echter in de 16e eeuw verdwijnt ook de handboog als oorlogswapen uit het leger, vooral omdat vuurwapens minder training vereiste en makkelijker in de “moderne” oorlogsvoering paste. In andere omstandigheden bleef de handboog een goed wapen, de moderne vuurwapens konden slecht tegen regen en water en hadden een beperkte nauwkeurigheid en bereik (Het duurde nog tot 1850 voordat handvuurwapens de afstand van pijl en boog konden bereiken). Hierdoor werd de boog wel nog gebruikt als wapen op zee (vooral door de Engelsen).Wel bleef de sociale rol, ordehandhaving en beveiliging nog een taak van de handboogschutterijen.

Gedurende de 17e en 18e eeuw nemen de taken van handboogschutterijen verder af, de kloveniersschutterijen (vuurwapens) nemen de rol van ordehandhaving en beveiliging volledig over. En de handboog word steeds meer gebruikt voor jacht en recreatie.

Hierna gaan handboogschutterijen zich vooral richten op een vernieuwde sociale rol, vooral bij de Adel en andere mensen van “goede stand”, word de sport heel populair. Handboogverenigingen worden opgericht met strenge toelatingscriteria. Recreatief boogschieten word een sociaal en ceremonieël evenement voor de elite. Ook vrouwen maken hun intreden in het handboogschieten, zij mogen deelnemen aan alle wedstrijden en kunnen gelijk opzoek naar een welgestelde partner. Zo werd Handboogschieten een platform voor netwerken, ontspanning en “dating”.

Belangrijk: Omdat voetboog schutterijen op dit punt al zo goed als niet meer bestonden en handboog schutterijen hun taken van oorlog en veiligheid hier ook al hadden verloren word vanaf hier een duidelijk onderscheid gemaakt tussen: Handboog schutterijen en vuurwapen schutterijen.

Tijdens de Franse (of Bataafse) tijd werden alle genootschappen en verenigingen die met de kerk waren verbonden verboden, hieronder vielen ook de schutterijen die traditioneel gezien altijd nauw verbonden waren met zowel kerk als staat. Door het concordaat dat Napoleon op 15 juli 1801 met paus Pius VII sloot, en dat op 8 april 1802 in werking trad, werd de eredienst hersteld en dat betekende tevens dat broederschappen en schutterijen weer actief mochten worden.

De militaire en orde handhavende taken waren nu echter helemaal overgedragen aan (op lokaal niveau) de door de Fransen ingestelde ‘gendarmerie’ en (op landelijk niveau) het Franse leger. De historische schutterijen hadden nu alleen nog een sociale functie. Dit bleef ook zo na de Franse tijd en hiermee verloren ook de laatste schutterijen hun vitale rol in de samenleving.

De heropleving (19e eeuw)

De schutterijen die nog nauw verbonden waren aan de plaatselijke kerk, bevolking en tradities werden na de franse periode nog heropend maar vooral als gezelligheidsvereniging. Dit betekende dat vooral in het zuiden van het land, waar tradities en kerken een grotere betekenis hadden, de (handboog)schutterijen heropenden.

Rond 1840 was er wederom een omkeer binnen de handboog wereld, het handboogschieten werd toegankelijk voor een groeiend deel van de bevolking en omdat het al meer dan een eeuw werd gezien als bezigheid van adel en elite vond de sport ook gretig aftrek onder de middenstanders. Hierdoor kwam er ook meer vraag naar verenigingen en de 19e eeuw ziet dan ook een wildgroei aan handboogverenigingen en heropgerichte gildes. Vele hedendaagse Nederlandse handboog verenigingen (inclusief de onze) vinden hun oorsprong in deze periode.

In België zie je nog meer handboogschutterijen die hun oorsprong verbinden aan de gilden, deze zijn dan ook veel ouder dan de meeste andere verenigingen. Zo is er bijvoorbeeld het Koninklijk handbooggilde Sint Sebastiaan merendree (opgericht 1717) , Koninklijke Sint-Sebastiaansgilde Essen (1518), Sint-Sebastiaansgilde Gierle (1480) Gilde Sint Sebastiaan Aardenburg (omstreeks 1433) en Sint-Sebastiaansgilde van Herentals (1404) (Mensen in de middeleeuwen hadden niet een hele grote originaliteit als het op naamgeving aankwam).

Het schieten werd meer en meer een sport en vrijetijdsbesteding. In deze periode zijn schutterijen zich onderling gaan meten op zogenaamde schuttersfeesten. Zo gaat het OLS (grootste concours van buks schutterijen) terug tot 1876. Maar ook het korpskampioenschap van handboogbond “Gezellig Samenzijn” gaat terug tot het begin van de 20e eeuw, het word dan ook wel eens het OLS voor handboogschutters genoemd en voor sommige Limburgse schutters word er ook meer waarde aan gehecht dan bijvoorbeeld het Nederlands Kampioenschap.

Tijdens deze opleving werden ook nog meerdere schutterijen heropgericht.

In de 2e helft van de 18e eeuw begon er veel kritiek te komen op de schutterijen. Vele waren steeds meer veranderd in “gezelligheidsverenigingen” of ingeslapen en oefende in sommige gevallen nog maar 1 keer per jaar, dit kwam de paraatheid en discipline niet ten goede, ook werd het wachtlopen vaak afgekocht of verzaakt. De Handboogschutterijen waren niet meer van belang voor defensie of veiligheid en waren (indien nog actief) alleen nog maar verzamelplaatsen voor de elite.


De jaren 50 waren een bewogen tijd in het Nederlandse handboog landschap, hoewel na de oorlog de NBvH bleef bestaan splitste al snel een aantal Brabantse verenigingen zich weer af, het zou tot 1963 duren tot deze weer aansluiting zochten bij de NBvH. In 1959 ontstond ook een conflict tussen de NBvH en de Limburgse verenigingen uit District 14 en 15, het conflict escaleerde en een groot aantal Limburgse verenigingen uit District 14 en 15 verlieten de NBvH en bliezen de vooroorlogse handboogbond “Gezellig Samenzijn” weer nieuw leven in. 

Officieel betrof het conflict een schutter die ook was aangesloten bij de Bond voor Lange Afstandsschutters, maar een dieper probleem lag aan de grondslag van het conflict als ook aan het vertrek van de Brabantse verenigingen, een splitsing ontstaan begin 20e eeuw die tot de dag van vandaag nog voelbaar is. Toen eind 19e eeuw in het zuiden van het land handboogschutterijen hun herintreden deden, waren dit vooral gezelligheidsverenigingen en sociëteiten. Handboogverenigingen waren dan ook vaak geplaatst achter, aan of in cafe’s. Toen later in het noorden de handboogsport zijn intreden deed waren deze verenigingen meer gericht op de sportieve aspecten van het handboogschieten. Later toen wereldwijd getracht werd om gestandaardiseerde regels en wedstrijdvormen op te zetten ging het noorden van het land hier snel in mee terwijl het zuiden zich aan zijn tradities bleef vasthouden. Dit creëerde een kloof tussen gezelligheids/cafe sport enerzijds en sport anderzijds. 

Eind jaren 60 zochten vele verenigingen van “Gezellig Samenzijn” weer aansluiting bij de NBvH, alleen ongeveer 2/3e van het oude district 14 bleef in de bond “Gezellig Samenzijn”. nu nog steeds zijn verenigingen om deze kloof aan het werken, zo is bijvoorbeeld “Ons Genoegen” uit Roggel in 2019 naar de NHB overgestapt terwijl “Diana” Venray juist de omgekeerde stap maakte.

Translate »